Auteur: Donya Saeedi, Eefje van ’t Hof.
Gepubliceerd: maart 2026.

Het onderzoek

Op “Ontstaan van Long COVID” is te lezen dat viruspersistentie één van de mogelijke primaire mechanismen is achter Long COVID. Op “Behandeling van Long COVID” worden ‘antivirale middelen’ genoemd als een potentiële behandeling. Daarbij wordt onder meer verwezen naar de overzichtsstudie van Amy Proal en haar onderzoeksgroep (Proal, 2025). Dit artikel beschrijft geen nieuw experiment, in deze blog nemen we deze studie onder de loep.

De onderzoekers bespreken op basis van bestaande studies de mogelijkheid dat het coronavirus (SARS-CoV-2) bij sommige mensen langdurig in het lichaam aanwezig blijft en mogelijk kan bijdragen aan Long COVID-klachten. Daarnaast bespreken de auteurs hoe toekomstige klinische studies opgezet zouden moeten worden om behandelingen te testen die dit mogelijke virusreservoir aanpakken.

De kern van de theorie/bevindingen

Waar blijft het virus achter

Bij sommige mensen kan na een infectie met SARS-CoV-2 een zogenoemd virusreservoir ontstaan, waarbij virus-RNA of virale eiwitten maanden tot zelfs jaren in het lichaam aanwezig blijven. Dit betekent dat delen van het virus nog in het lichaam aanwezig zijn, ook nadat de infectie voorbij lijkt te zijn. Deze virusresten zijn onder andere gevonden in verschillende organen en weefsels, zoals darm-, hersen-, zenuw- en oogweefsel, maar ook in het bloed.

Ontstaan van het virusreservoir

Het virusreservoir ontstaat waarschijnlijk tijdens de acute fase van de infectie. Zowel eigenschappen van het virus als kenmerken van de persoon die geïnfecteerd is, kunnen hierbij een rol spelen. Factoren die mogelijk bijdragen aan het ontstaan van een virusreservoir zijn:

  • Een hoge virusbelasting tijdens de acute infectie;
  • Een langdurige infectie;
  • Een immuunsysteem dat het virus niet volledig kan opruimen;
  • Infectie van zogenoemde immuun-geprivilegieerde weefsels, zoals de hersenen, ogen en testikels. Immuun-geprivilegieerde weefsels hebben speciale beschermingsmechanismen om schade door ontstekingsreacties te beperken. Daardoor kan het immuunsysteem daar minder actief reageren, waardoor virussen soms langer in deze weefsels kunnen blijven bestaan.

Gevolgen van het virusreservoir

Een virusreservoir kan verschillende biologische processen beïnvloeden en zo bijdragen aan klachten bij Long COVID. Mogelijke gevolgen zijn onder andere:

  • Chronische ontsteking: viruseiwitten of virus-RNA kunnen het immuunsysteem blijven activeren, wat kan leiden tot aanhoudende ontstekingen.
  • Ontregeling van het immuunsysteem: de voortdurende aanwezigheid van virale deeltjes (antigenen) kan veranderingen veroorzaken in immuuncellen. Hierdoor kan het immuunsysteem uit balans raken, waardoor het virus mogelijk niet volledig wordt opgeruimd of het immuunsysteem te sterk of juist te zwak reageert.
  • Verstoring van cellen en organen: virusresten die in weefsels aanwezig blijven kunnen de normale werking van de geïnfecteerde cellen verstoren. Hierdoor kunnen cellen minder goed functioneren, wat kan bijdragen aan klachten in verschillende organen.

Mogelijke manieren waarop het virusreservoir kan blijven bestaan

Het virusreservoir kan mogelijk verklaren waarom klachten bij Long COVID langdurig aanwezig zijn. Uit meerdere studies is gebleken dat het virus op verschillende manieren in het lichaam kan blijven bestaan. Een illustratie van deze theorie zie je hieronder.

Figuur 1
Mogelijke vormen van viruspersistentie: vertaalde en vereenvoudigde weergave van figuur 1 uit het artikel van Proal et al. 2026.

  1. Alleen virus-RNA (het genetisch materiaal van het virus) kan aanwezig blijven in de cel zonder dat er nieuwe “virions” (complete virusdeeltjes) worden geproduceerd die via de bloedbaan nieuwe cellen kunnen infecteren. Dit kan bijvoorbeeld gebeuren door mutaties of doordat het virus aan het immuunsysteem ontsnapt, iets wat ook bij andere enkelstrengs RNA-virussen is waargenomen.
  2. Virus-RNA plus virale eiwitten: het RNA produceert wel virale eiwitten (translatie), maar het virus vermenigvuldigt zich niet. Het aantreffen van virale eiwitten in het bloedplasma in de periode na de acute infectie suggereert dat dergelijke eiwitproductie inderdaad plaatsvindt. Ook zijn bij sommige mensen met Long COVID tekenen gevonden van verhoogde activatie en uitputting van CD8+ T-cellen (witte bloedcellen specifiek gericht tegen het coronavirus), vergeleken met mensen die volledig zijn hersteld.
  3. Virusvermenigvuldiging (replicatie): het volledige virus blijft bestaan en blijft zich af en toe, of in zeer kleine hoeveelheden, vermenigvuldigen. In dat geval kan het nieuwe doelcellen infecteren. Dit scenario wordt ondersteund door studies waarin dubbelstrengs-RNA en andere RNA vormen van het coronavirus zijn gevonden in weefsels, immuuncellen of bloed van LC-patiënten die alleen ontstaan tijdens de replicatie van het virus. Toch is het niet zeker of deze RNA-vormen altijd betekenen dat het virus zich nog steeds actief vermenigvuldigt. Periodieke virusreplicatie zou een mogelijke verklaring kunnen zijn voor de wisselende klachten die veel patiënten met Long COVID ervaren.

Nadere uitleg over translatie en replicatie van het coronavirus is te lezen onder aan deze blog.

Het virus zelf als potentieel doelwit voor behandeling

Elke vorm van viruspersistentie vereist waarschijnlijk een andere gerichte behandeling om de meest effectieve therapie te bereiken. Onderzoekers onderzoeken daarom verschillende behandelmogelijkheden, zoals antivirale medicijnen (bijvoorbeeld remdesivir) die de vermenigvuldiging van het virus remmen, monoklonale antilichamen of een combinatie hiervan.

In dit overzichtsartikel staat een overzicht van klinische behandelstudies die zich richten op het persisterende coronavirus. Ook is op “Medicamenteuze behandeling van Long COVID” meer informatie te lezen over deze behandelstudies. De meeste studies naar Long COVID testen tot nu toe één enkel medicijn (monotherapie). Maar als het virus actief blijft repliceren, is dat waarschijnlijk niet voldoende. In dat geval zijn combinaties van antivirale middelen en monoklonale antilichamen nodig die op verschillende momenten in de levenscyclus van het virus ingrijpen en tegelijk de geïnfecteerde cellen helpen opruimen. De huidige behandelingen zijn ook vaak te kort. Langdurige behandeling is waarschijnlijk nodig om terugkeer van klachten te voorkomen.

Samenvattend

Bij een deel van de mensen kan het coronavirus langdurig in het lichaam aanwezig blijven in de vorm van virus-RNA of virale eiwitten. Dit virusreservoir kan het immuunsysteem blijven stimuleren en ontstekingen veroorzaken. Deze aanhoudende virusactiviteit draagt mogelijk bij aan langdurige klachten bij Long COVID. Fluctuerende LC-klachten kunnen verklaard worden door periodieke virusreplicatie en dus tijdelijke virusactiviteit. Goed ontworpen klinische studies zijn nodig om te testen of het behandelen van virale persistentie daadwerkelijk leidt tot herstel van Long COVID-patiënten.

Relevantie van de bevindingen

Deze theorie:

  • Laat het zien dat het virus bij sommige mensen mogelijk niet volledig uit het lichaam verdwijnt. Dit geeft een mogelijke verklaring voor langdurige klachten bij Long COVID. Schommelingen in klachten kan passen bij tijdelijke virusactiviteit.
  • Biedt aanknopingspunten voor nieuwe behandelingen, bijvoorbeeld behandelingen die gericht zijn op het onderdrukken of verwijderen van virusreservoirs. In verschillende klinische studies worden daarom antivirale medicijnen en andere therapieën onderzocht die mogelijk het virus kunnen opruimen.

Discussiepunten en onzekerheden

  • Deze theorie biedt een mogelijke verklaring, maar is nog niet definitief bewezen.
  • Onzekerheden zijn onder andere:
    – Bij hoeveel mensen met Long COVID een virusreservoir aanwezig is;
    – In welke weefsels het virus precies blijft bestaan;
    – Of het virus nog actief is of alleen als restmateriaal aanwezig is;
    – Of viruspersistentie daadwerkelijk de oorzaak is van klachten, aangezien SARS-CoV-2 persistentie ook is waargenomen bij sommige mensen zonder Long COVID. Bovendien spelen ook andere mechanismen een rol, zoals auto-immuniteit, reactivatie van andere virussen, verstoord microbioom, endotheelschade etc. (zie ook “Ontstaan van Long COVID”).
  • Het is niet bewezen dat het verwijderen van een virusreservoir daadwerkelijk leidt tot herstel van klachten.

Uitleg van virustranslatie en -replicatie van het coronavirus


Deze afbeelding is gemaakt met AI.

  1. Virus bindt aan een cel
    Het virusdeeltje (virion) hecht zich aan de ACE2-receptor van een cel via het Spike-eiwit op het oppervlak van de cel.
  2. Virus komt de cel binnen
    Het virusdeeltje dringt de cel binnen en wordt “uitgepakt”.
  3. Virale RNA komt vrij
    Het genetisch materiaal van het coronavirus (enkelstrengs RNA) komt in de cel terecht.
  4. De cel maakt virale eiwitten (translatie)
    De cel gebruikt haar eigen “machinerie” om virale eiwitten te maken: Ribosomen lezen het virale RNA. De genetische code van het virus-RNA wordt omgezet in virus-eiwitten. Dit heet “translatie”.
  5. Het virus kopieert zijn RNA (replicatie)
    Met behulp van virale enzymen (RNA-polymerase) worden nieuwe kopieën van het virusgenoom gemaakt. Tijdens dit proces ontstaat vaak tijdelijk dubbelstrengs RNA, een tussenstap in de replicatie. Bij virussen met enkelstrengs positief RNA (zoals het coronavirus) wordt eerst een negatieve kopie van het RNA gemaakt: dit antisense-RNA dient vervolgens als sjabloon om nieuwe positieve RNA-kopieën te produceren. Tijdens de replicatie worden ook subgenomische RNA-moleculen gemaakt om specifieke eiwitten zoals het Spike-eiwit te maken.
  6. Nieuwe virusdeeltjes ontstaan
    Van deze onderdelen worden nieuwe virions gevormd, die andere cellen kunnen infecteren.

Uitleg van belangrijke begrippen

  • Acute fase: de eerste periode van een ziekte, direct nadat iemand besmet is geraakt met een virus of andere ziekteverwekker.
  • Antigenen: producten van bijv. een virus die door het immuunsysteem worden herkend en een immuunreactie kunnen uitlokken.
  • Antivirale middelen: medicijnen die de vermenigvuldiging van virussen remmen.
  • Immuun-geprivilegieerde weefsels: weefsels waar het immuunsysteem minder sterk reageert om schade door ontsteking te beperken, zoals de hersenen, ogen en testikels
  • Immuunsysteem: het verdedigingssysteem van het lichaam dat infecties bestrijdt.
  • Monoklonale antilichamen: laboratoriumgemaakte antistoffen die specifiek een virus herkennen en neutraliseren.
  • Virale eiwitten: eiwitten die door het virus worden gemaakt en die het immuunsysteem kunnen activeren.
  • Virion: een compleet virusdeeltje dat in staat is een nieuwe cel te infecteren.
  • Virus-RNA: het genetisch materiaal van een virus.
  • Virusbelasting: de hoeveelheid virus die in het lichaam aanwezig is, bijvoorbeeld in het bloed of in weefsels.
  • Viruspersistentie: een situatie waarin een virus of virusmateriaal langdurig in het lichaam aanwezig blijft.
  • Virusreplicatie: het proces waarbij een virus nieuwe virusdeeltjes maakt in geïnfecteerde cellen.
  • Virusreservoir: een plaats in het lichaam waar een virus langdurig aanwezig kan blijven en moeilijk door het immuunsysteem kan worden opgeruimd bijvoorbeeld in bepaalde weefsels of cellen.

Bron: Proal AD, Aleman S, Bomsel M, et al. Targeting the SARS-CoV-2 reservoir in long COVID. The Lancet Infectious Diseases. 2025;25:e294–e304